Archäologie der Handschrift. Erschliessung, Präsentation und Forschungim digitalen Raum

Door Saskia van Bergen

Bijna tweehonderd specialisten bestaande uit wetenschappers, bibliothecarissen en archivarissen verzamelden zich op maandag 9 oktober in Freiburg om drie dagen lang te discussiëren over het ontsluiten, presenteren en onderzoeken van handschriften in de digitale wereld. Tijdens het welkomstwoord benadrukt de organisatie het belang van een dialoog tussen bibliotheek en wetenschap. Gezien alle ontwikkelingen van de laatste jaren, met name de invloed van Handwritten Text Recognition (HTR), Artificial Intelligence (AI) en Reflective Transformation Imaging (RTI) op het onderzoek naar handschriften, is een gezamenlijke strategieontwikkeling hard nodig. Hoe weten we wat de ander nodig heeft, of juist bieden kan? Wat is ons gezamenlijke doel? Op welke vlakken kunnen we daarin samenwerken? Deze vragen komen tijdens de drie dagen telkens weer terug.

Dat blijkt ook uit de opzet. Het programma is verdeeld in thematische sessies, maar we worden na het welkomstwoord niet naar kleine kamertjes gestuurd, waar we worden vermaakt met lange en diepgravende presentaties. Alle papers zijn namelijk plenair en vooral kort. Elk thema begint met korte uiteenzettingen, waarna alle sprekers met elkaar en vooral met het publiek in discussie gaan. Dat heeft als risico dat het snel doodloopt, maar leer dan de Duitsers kennen. Die zijn dol op discussiëren! Op maandag gingen we tot negen uur door, en op dinsdag liep ik ook pas tegen achten (moe gepraat en met een rommelende maag) naar buiten.


Wat is me daarbij vooral opgevallen?

Austausch (uitwisseling) was drie dagen lang het toverwoord. Tussen bibliotheken en wetenschappers, tussen bibliotheken onderling, maar ook tussen portalen. Op dit moment is er eigenlijk nauwelijks sprake is van uitwisseling, zelfs niet op het gebied van metadata. In Nederland zijn we al in de jaren zeventig overgegaan op gezamenlijk catalogiseren in GGC, maar in Duitsland was dit lange tijd alleen per Bundesland georganiseerd. Tegenwoordig zijn er vele initiatieven binnen het Duitse taalgebied, vaak gericht op een internationaal publiek, waaronder generieke sites zoals de virtuele bibliotheek voor Zwitserland e-Codices, het portaal voor Orientaalse manuscript collecties Qalamos, en de Handschriftencensus over alle Duitstalige teksten uit de Middeleeuwen. Maar daarnaast zijn er ook Nationale, en gespecialiseerde catalogi en de initiatieven, zoals die van het Gossembrot project en het Index Librorum Civitatum over Stadsboeken. Een heel landschap aan websites dus. Vooral bij de kleinere projecten is uitwisseling van data ingewikkeld, omdat diepte van ontsluiting, scope, en functies verschillen van de grotere portalen. Maar tegelijk kunnen ze gegevens bevatten die ook voor niet specialisten interessant kunnen zijn. Alleen, welke precies, en hoe kom je hier achter?


Zou een meta-database niet prachtig zijn? Eén portaal waarin je alles kunt vinden? Met IIIF is toch alles mogelijk? Zo kom ik er al snel achter dat ook de Duitser worstelen met de belemmeringen van projectfinanciering. Je krijgt geld van NWO of DFG en zet een mooie website op, stopt tijd en energie in het vullen ervan, maar er is niet altijd nagedacht over wat er met de data gebeurt na afloop van het project. Andersom zijn weinig geldschieters bereid om langdurig geld te stoppen in iets saais als het onderhouden van een IIIF based portaal, of de interoperabiliteit tussen sites. Dit maakt dat er sneller financiering wordt gevraagd én gegeven aan kortdurende projecten.

Standardisiering schafft nachaltigkeit (Standaardisatie zorgt voor duurzaamheid) Ook deze stelling kwam regelmatig terug. Daar kan ik het alleen maar mee eens zijn, maar dat neemt tegelijk niet weg dat we ook oog moeten hebben voor maatwerk. Door internationale thesauri en standaarden te gebruiken kunnen we altijd een basisset aan metadata aanleveren aan grote portalen, of data uitwisselen met gespecialiseerde themasites, maar tegelijk moet er binnen de eigen systemen ruimte zijn voor gespecialiseerde informatie, zoals gegevens over band, schrift en decoratie. Claudia Fabian, het hoofd van de afdeling Handschriften en oude Drukken van de Bayerische Staatsbibliothek in München pleit daarom voor modularisering: Welke informatie is in welke context nodig? Idealiter richt je je infrastructuur zo in dat je informatie over dezelfde manuscripten aan uiteenlopende portalen kunt aanleveren, elk met een eigen scope.

Dit alles doet vermoeden dat wij wel wat voorlopen op onze oosterburen. De DFG (De Duitse NWO) mag in elk geval nog wel wat meer de regie pakken in het afdwingen van interoperabiliteit bij het toekennen van subsidies. Je realiseert je tegelijk ook dat we in Nederland best verwend zijn met nationale initiatieven die deze uitwisseling juist als doel hebben, zoals het Netwerk Digitaal Erfgoed en waar je terecht kunt voor hulp en ondersteuning. En Stichting PICA heeft een programmalijn opgezet voor het verbinden van erfgoedsites waarin we als UBL ook participeren.

Maar voordat we onszelf op de borst kloppen: wij kunnen ook nog wel een en ander leren van onze Duitstalige buurlanden. Dat blijkt vooral op de laatste dag waar aandacht wordt besteed aan innovatieve onderzoeksmethoden, zoals AI, HTR en RTI. De transcriptie software Transkribus is een van de meest gebruikte hulpmiddelen hiervoor, en is ontwikkeld onder leiding van de universiteit van Innsbruck. Er werden enkele spectaculaire voorbeelden getoond van de resultaten met automatische transcripties, niet alleen van westers schrift, maar ook van Cyrillisch, Hettitisch en diverse Aziatische schriftsoorten. De AI techniek wordt hierbij ingezet om een voorspelling te doen van welk woord op specifiek deze plek in de zin wordt verwacht, en dit komt de kwaliteit van de transcriptie ten goede. Dit is enorm belangrijk voor de toekomst van het vak: omdat er steeds minder ruimte is voor onderwijs in oud schrift kunnen steeds minder mensen het lezen. Vorige week stond er nog een interessant nieuwbericht op de universitaire website over het leesbaar maken van de tekst op kleitabletten.

In Hamburg bevindt zich het Centre for the Study of Manuscript Cultures (CSMC), waar wordt gewerkt aan innovatieve methodes voor de studie van handschriften. Samen met de universiteit van Rochester vormen ze de voorhoede voor de ontwikkeling van fotografische technieken voor erfgoed. Ze maken onder meer gebruik van RTI, een techniek waarmee onderdelen van handgeschreven zichtbaar kunnen worden gemaakt die dat met het blote oog niet zijn. In deze video wordt uitgelegd wat hiermee allemaal mogelijk is.

Dit riep bij mij de vraag op over de rol van de bibliotheek. Want is het wel onze taak om deze technieken aan te bieden binnen de bibliotheek? En moet dit dan zijn in de rol van actieve partner binnen een onderzoekproject? Of moet het zelfs als standaard dienstverlening worden aangeboden? In sommige bibliotheken zoals Edinburgh UL wordt dit al gedaan. Katharina Kaska van de Österreichische Nationalbibliothek maakten al snel duidelijk dat de aanschaf van apparatuur niet genoeg is. Het maken van een foto is namelijk slechts één stap in het proces. Wanneer je niet over geschikt personeel beschikt om de afbeeldingen na te bewerken en te interpreteren kun je er beter helemaal niet aan beginnen. Betekent dit dat wij alleen toeleveranciers zijn van bronmateriaal? Dat is misschien ook weer al te negatief. Na afloop van de sessie werd ik aangesproken door een medewerker van de UB in Göttingen. Daar hebben ze gekozen voor camera-apparatuur die in staat is om eenvoudige RTI uit te voeren. Dus niet het high end materiaal, maar ook geen scanner die alleen platte scans maakt. Ik was van harte welkom om eens te komen kijken. Dat was ook het belangrijkste advies van de Damianos Kasotakis van de Early Manuscripts Electronic Library: If you can, avoid “ONE BUTTON – TURN KEY” systems! Met andere woorden: koop geen scanner maar investeer in apparatuur waarmee je flexibel bent en kunt inspelen op technologische ontwikkelingen.

De eerdergenoemde ‘Austausch’ is ook van toepassing op de uitwisseling van kennis en met name van technische expertise. Een goed voorbeeld van innovatieve samenwerking is het competentiecentrum voor OCR en HTR dat de universiteitsbibliotheken van Tübingen en Mannheim hebben opgezet en dat zeer actief is in de ondersteuning van onderwijs en onderzoek in de regio. Het competentiecentrum is dus niet ondergebracht bij de universiteit, maar bij de UB. Ook bij ons zou het geen slecht idee zijn om binnen het UKB of Leiden-Delft-Erasmus de kennis die al bij de diverse universiteitsbibliotheken aanwezig is, bijvoorbeeld binnen een Centre for Digital Scholarship, te bundelen.

En voor iedereen die zich zorgen maakt dat ik drie dagen lang geen daglicht heb gezien: gelukkig was ik al in het weekend in Freiburg aangekomen en heb ik uitgebreid kunnen genieten van zonnig weer, volle terrassen en natuurlijk ook de onvermijdelijke Biergarten 🙂

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.